Op een zonnige lentedag kleuren ze bermen, velden en wellicht ook je tuin vrolijk geel: paardenbloemen. Wat mij betreft zijn het kleine zonnetjes op een steel, die zonder enige moeite overal opduiken en het landschap oplichten.
In Nederland groeien naar schatting zo’n 200 verschillende soorten paardenbloemen, met bijna evenveel volksnamen. Bijvoorbeeld ‘leeuwentand’, die verwijst naar de grof getande bladeren. Molsla of wilde andijvie vanwege de bittere smaak, maar ook pissebloem, of op zijn Frans pis-en-lit, vanwege de urineafdrijvende en zuiverende werking op het lichaam.
De paardenbloem gaat dus al een tijdje mee als eetbare en geneeskrachtige plant. Ze is veelzijdig in de keuken, vrijwel alle onderdelen van de plant zijn namelijk eetbaar. De wortel kan worden geroosterd en gemalen tot een koffievervanger, met een volle, licht bittere smaak. Iets wat vooral in oorlogstijden veel werd gedaan. Dan de jonge bladeren, die geven een frisse, pittige toets aan salades of warme gerechten, zoals risotto of soep. En de bloemen? Die laten zich verwerken tot siroop, gelei, alternatieve honing of zelfs een zachte, goudgele wijn.
Dat de plant ook geneeskrachtig is blijkt uit de botanische naam: Taraxacum officinale. Het woord officinale staat voor het medicinale gebruik van deze plant. Ze zit boordevol vitaminen en mineralen en wordt traditioneel ingezet ter ondersteuning van de lever en spijsvertering.
Misschien is dat wel de grootste charme van de paardenbloem: ze vraagt niets, maar geeft des te meer. Een plant die overal groeit, vaak als onkruid wordt gezien, er altijd is, en toch een wereld aan toepassingen in zich draagt. Wie haar eenmaal leert kennen, zal haar niet meer achteloos voorbijlopen.