Bij rozen denken de meeste mensen aan liefde, parfum of een bos bloemen op tafel. Maar wist je dat de roos ook eetbaar is? Sterker nog: de wilde rimpelroos, de egelantier én veel tuinrozen zitten vol smaak en geneeskracht. Let op: Mocht je willen plukken uit eigen tuin, pluk dan alleen van rozen die al jaren in je tuin staan in verband met bestrijdingsmiddelen.
De geurige blaadjes van rozen smaken licht zoet en een beetje kruidig. Je kunt ze gebruiken in thee, siroop, jam of over een salade strooien. Vooral de bottels — de oranjerode vruchten die na de bloei verschijnen — zijn ware vitaminebommetjes.
Maar hoe herken je ze? De rimpelroos heeft dikke gerimpelde bladeren en vaak felroze bloemen die heerlijk ruiken. Je ziet hem veel in de duinen en aangeplant in plantsoenen. De egelantier herken je aan zijn fijne stekels en bladeren die naar appel ruiken als je ze kneust.
Rozen werden vroeger niet alleen gegeten, maar ook gebruikt als medicijn. Rozenblaadjes bevatten geurstoffen en etherische oliën die een kalmerend effect hebben op het zenuwstelsel. Daarom werd rozenthee vroeger gedronken bij stress, verdriet of slapeloosheid. De blaadjes werken daarnaast licht verkoelend bij een geïrriteerde huid. Niet voor niets zit rozenwater nog altijd in veel crèmes en huidlotions verwerkt.
Met rozen kun je verrassend veel doen in de keuken. Mijn favoriet is rozen-suiker: meng een handvol geurige rozenblaadjes met fijne suiker en laat dit een week in een afgesloten pot staan. Heerlijk over yoghurt, pannenkoeken of aardbeien. Je kunt ook rozenlimonade maken door de blaadjes een nacht met citroen in water te laten trekken. Of denk aan rozenjam, gekonfijte rozenblaadjes op taart of zelfs een geurige rozenhoning.